De oplossing is een drietrapsraket. 

1. Besluitvorming door het bestuur 

Het begint bij een over het algemeen onderbelichte speler bij dit soort vraagstukken: de verantwoordelijke, het college van B&W. Dat bestuur moet besluiten of de gemeentelijke organisatie integrale dienstverlening wil bieden, inclusief de noodzakelijke gegevensuitwisselingen. Zodra daarover een positief besluit is genomen, weet de organisatie – en dus ook de privacyprofessional – dat de gemeente daarachter staat. De AVG kan dan niet meer zo makkelijk als spelbreker worden aangewezen. 

2. De toets door de privacy officer 

De privacy officer beoordeelt welke taken en grondslagen gelden en toetst de verwerking aan artikel 5 AVG: behoorlijkheid, transparantie, doelbinding, noodzakelijkheid, juistheid en minimale opslag. Op basis daarvan wordt een privacy by design-werkproces ingericht. Zo ontstaat een zorgvuldig en rechtmatig verwerkingsproces. 

3. De uitvoering door de professional 

De professional in het sociaal domein hoeft niet te twijfelen over wat ‘mag van de AVG’, maar kan zich richten op de inwoner: wat is de hulpvraag en hoe kan die het best worden opgepakt? Als de hulpvragen samenhangen, wordt met de inwoner afgestemd of een gecoördineerde aanpak gewenst is. De inwoner behoudt de regie, zolang er geen sprake is van drang of dwang. De professional volgt het vastgestelde werkproces en informeert de inwoner over de gegevensverwerking. 

Zo doet iedereen zijn werk: het college besluit, de privacy officer borgt rechtmatigheid en de professional helpt. De AVG is daarbij geen spelbreker, maar juist de waarborg voor zorgvuldige gegevensbescherming – precies waar ze voor bedoeld is. 

Het vorenstaande is een korte samenvatting van hoe vraagstukken over gegevensdeling in het sociaal domein opgelost kunnen worden. Meer weten? Neem contact met mij op: johannes@praktijkvoorprivacy.nl 

Meer nieuws: